hoop

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoop
1. enkelvoud meervoud
naamwoord hoop hopen
verkleinwoord hoopje hoopjes

Zelfstandig naamwoord

hoop

2., 3. enkelvoud meervoud
naamwoord hoop
verkleinwoord
  1. stapel
    Op de grote hoop gooien.
  2. een grote hoeveelheid.
    Een hoop lawaai.
  3. een verwachting van iets wenselijks.
    Hoop doet leven.
Vertalingen

Meer informatie


Werkwoord

vervoeging van
hopen

hoop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
    Ik hoop.
  2. gebiedende wijs van hopen
    Hoop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
    Hoop je?
Persoonlijke instellingen