Naar inhoud springen

zeurpiet

Uit WikiWoordenboek
  • zeur·piet
enkelvoud meervoud
naamwoord zeurpiet zeurpieten
verkleinwoord zeurpietje zeurpietjes

dezeurpietm

  1. (scheldwoord) iemand die veel zanikt
    • Wat is Kees toch een zeurpiet! 
     Maar kerel, heb je dan de courant niet gelezen?’ ‘Courant? Maar, wat heb ik dan nòu weer gedaan, dat ik een courant zou moeten lezen!’ ‘Niet één courant, zeurpiet, maar dè courant, de Nijmeegsche Courant, van gis-te-ren’ spelde Boudy bijna.[3]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]