zeurpiet
Uiterlijk
- zeur·piet
- samenstelling van zeur ww en Piet en , in de betekenis van ‘iemand die zanikt’ aangetroffen vanaf 1903 (zie vindplaats hieronder) [1] [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zeurpiet | zeurpieten |
| verkleinwoord | zeurpietje | zeurpietjes |
de zeurpiet m
- (scheldwoord) iemand die veel zanikt
- Wat is Kees toch een zeurpiet!
- ▸ Maar kerel, heb je dan de courant niet gelezen?’ ‘Courant? Maar, wat heb ik dan nòu weer gedaan, dat ik een courant zou moeten lezen!’ ‘Niet één courant, zeurpiet, maar dè courant, de Nijmeegsche Courant, van gis-te-ren’ spelde Boudy bijna.[3]
- Het woord zeurpiet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zeurpiet" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ zeurpiet op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron G.F. HaspelsHerrijzenis in: Onze Eeuw
, Jaargang 3 (1903), p. 655 op dbnl.org 
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheldwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %