zeef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Zeef
Uitspraak
Woordafbreking
  • zeef
enkelvoud meervoud
naamwoord zeef zeven
verkleinwoord zeefje zeefjes

Zelfstandig naamwoord

zeef v/m

  1. (gereedschap) (huishouden) een voorwerp met veel gaatjes voor het scheiden van een vloeistof of fijn poeder van de zich de daarin bevindende grotere vaste delen
    • Heb je een zeefje voor de theeblaren? 
    • als de gaatjes in het filter zeer klein zijn, spreekt men meestal van een filter 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zeven

zeef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeven
    • Ik zeef. 
  2. gebiedende wijs van zeven
    • Zeef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeven
    • Zeef je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie