speeksel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speek·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord speeksel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

speeksel o

  1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
    Speeksel wordt gemaakt in de speekselklieren.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl