instemming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stem·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord instemming instemmingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

instemming v

  1. adhesie, toestemming
    • Zijn ouders gaven instemming aan hun zoon om later thuis te komen van het schoolfeest. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen