Naar inhoud springen

zijgen

Uit WikiWoordenboek
  • zij·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zijgen
zeeg
gezegen
klasse 1 volledig

zijgen

  1. ergatief naar beneden zakken, zich laten vallen
    • Zwijgend, traag als was het aarzlen, Zijgen d'eerste vlokken,... - II -- . 
    • Zwijgend traag als was het aarzlen,
      zijgen d'eerste vlokken, lijk
      witte bloemkens zonder stengel,
      uit het grauwe wolkenrijk.
       [3]
48 %van de Nederlanders;
40 %van de Vlamingen.[4]