wond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wond
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kwetsuur’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wond wonden
verkleinwoord wondje wondjes

Zelfstandig naamwoord

wond

  1. (medisch) een beschadiging in of aan het lichaam
    • Door zijn val had hij een diepe wond in zijn been. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
winden

wond

  1. enkelvoud verleden tijd van winden
    • Ik wond. 
    • Jij wond. 
    • Hij, zij, het wond. 
vervoeging van
wonden

wond

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonden
    • Ik wond. 
  2. gebiedende wijs van wonden
    • Wond! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wonden
    • Wond je? 
stellend
onverbogen wond
verbogen wonde
partitief wonds

Bijvoeglijk naamwoord

wond [3]

  1. gewond

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen