wonden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • won·den

Zelfstandig naamwoord

wonden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wond
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord wonde

Werkwoord

vervoeging van
winden

wonden

  1. meervoud verleden tijd van winden
    • Wij wonden. 
    • Jullie wonden. 
    • Zij wonden. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wonden
wondde
gewond
zwak -d volledig

Werkwoord

wonden

  1. overgankelijk een wond toebrengen, verwonden
    • Zeer nabij graasde een kudde buffels, waarvan wij er verscheidene wondden, doch geen enkele doodden. [1]
  2. overgankelijk (figuurlijk) emotioneel kwetsen
    • Ik weigerde en daarmee wondde ik haar diep. 
    • Men wondt mij met de tong. [2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Petrus Borchardus Borcherds, Bladen uit de memoirs van Petrus Borchardus Borcherds, 1907
  2. Petrus Weiland, Nederduitsch taalkundig woordenboek, 1810

Meer informatie