wonden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • won·den

Zelfstandig naamwoord

wonden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wond
     Als ik soms tot wel twee weken achter elkaar in de wildernis zou moeten overleven, zou het goed zijn als ik wist hoe ik mijn eigen wonden moest dichtnaaien zoals Rambo.[1]

wonden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wonde

Werkwoord

vervoeging van
winden

wonden

  1. meervoud verleden tijd van winden
    • Wij wonden. 
    • Jullie wonden. 
    • Zij wonden. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wonden
wondde
gewond
zwak -d volledig

Werkwoord

wonden

  1. overgankelijk een wond toebrengen, verwonden
    • Zeer nabij graasde een kudde buffels, waarvan wij er verscheidene wondden, doch geen enkele doodden. [2]
  2. overgankelijk (figuurlijk) emotioneel kwetsen
    • Ik weigerde en daarmee wondde ik haar diep. 
    • Men wondt mij met de tong. [3]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Petrus Borchardus Borcherds, Bladen uit de memoirs van Petrus Borchardus Borcherds, 1907
  3. Petrus Weiland, Nederduitsch taalkundig woordenboek, 1810
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be

Meer informatie