sår

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sår     såret     sår     sårene  
genitief   sårs     sårets     sårs     sårenes  

Zelfstandig naamwoord

sår o

  1. (medisch) wond



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • sår
Naar frequentie 2955
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud sår sårere sårest
o enkelvoud sårt
meervoud såre
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
såre sårere såreste

Bijvoeglijk naamwoord

sår

  1. stuk
  2. gevoelig
  3. pijnlijk

Bijwoord

sår

  1. enigszins bitter

Werkwoord

sår

  1. tegenwoordige tijd van
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sår     såret     sår     såra
sårene  
genitief   sårs     sårets     sårs     såras
sårenes  

Zelfstandig naamwoord

sår o

  1. (medisch) wond
  2. (medisch) zweer, ulcus, helcose, ulceratie
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • sår
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud sår sårare sårast
o enkelvoud sårt
meervoud såre
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
såre sårare såraste

Bijvoeglijk naamwoord

sår

  1. stuk
  2. gevoelig
  3. pijnlijk

Bijwoord

sår

  1. enigszins bitter

Werkwoord

sår

  1. verleden tijd van
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sår     såret     sår     såra  

Zelfstandig naamwoord

sår o

  1. (medisch) wond
  2. (medisch) zweer, ulcus, helcose, ulceratie
Afgeleide begrippen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • sår
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sår     såret     sår     såren  
genitief   sårs     sårets     sårs     sårens  

Zelfstandig naamwoord

sår o

  1. (medisch) wond
Afgeleide begrippen