vouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Vouwen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vou·wen
Woordherkomst en -opbouw

Andere Germaanse talen

  • Gotisch: 𐍆𐌰𐌻𐌸𐌰𐌽 (falþan)

Andere Indo-Europese talen

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
vouwen vouwend
vouw gevouwen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vouwen
vouwde
gevouwen
gemengd volledig

Werkwoord

vouwen

  1. twee delen over een naad tezamen buigen
    • Het vouwen van papier is in Japan een kunstvorm. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

vouwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vouw