dubbelvouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel·vou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dubbelvouwen
vouwde dubbel
dubbelgevouwen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

dubbelvouwen

  1. overgankelijk iets doormidden buigen en de twee helften samendrukken zodat ze op elkaar komen te liggen
    • Je krijgt een A5-vel door een A4-vel dubbel te vouwen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.