aankoper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ko·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aankoper aankopers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aankoper m

  1. iemand die iets koopt
    • De Zwitsers zouden vooral geïnteresseerd zijn geweest in belastinginspectie van de deelstaat Noordrijn-Westalen, de grootste aankoper van cd's, die sinds 2010 zeventien cd's kocht om Duitse belastingfraudeurs te ontmaskeren.[1] 
    • Vorig jaar kwamen de aankopers het Franse apenorkest op het spoor. Het was door een particulier ter veiling aangeboden, maar verkeerde in zeer slechte staat. De apen waren in vodden gehuld, het orgel knarste. Het museum sloeg toe en bracht het apentrio als nieuwe eigenaar naar de werkplaats voor langdurige restauratie.[2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Volkskrant Sterre Lindhout 5 mei 2017 Duitse rel: illegale informatie, belastingontduiking en een oud-politieman in dienst van Zwitsers
  2. Volkskrant Robert van Gijssel 25 februari 2010 Apenorkest treedt weer op