uithouden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uithouden
hield uit
uitgehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

uithouden

  1. absoluut het ~ langdurig moeilijkheden verdragen of belasting dragen
    • Mijn auto heeft het daana niet zo lang meer uitgehouden. 
  2. weghouden van iets
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.