uitstaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·staan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstaan
stond uit
uitgestaan
klasse 6 volledig

Werkwoord

uitstaan

  1. absoluut nog niet geïnd of ingevorderd
    • Dat bedrag stond nog uit, maar het is nu binnen. 
  2. absoluut iemand/iets niet kunnen ~: een grote hekel aan iemand/iets hebben
    • Ik kan haar echt niet uitstaan! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.