uithouder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·hou·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uithouder uithouders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uithouder m [1]

  1. voorwerp om iets ergens weg van te houden
  2. iemand die kan uithouden (volhouden)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal