Toilette

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Toi·let·te

Zelfstandig naamwoord

Toilette v

  1. toilet
    «Ich muss mal schnell auf die Toilette
    Ik moet snel naar het toilet.
Verbuiging