ontlasten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·las·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van last (stam van het werkwoord lasten) met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontlasten
ontlastte
ontlast
zwak -t volledig

Werkwoord

ontlasten

  1. overgankelijk een last verminderen
    • Zij wierpen alles wat niet absoluut noodzakelijk was weg om zo de pakdieren te ontlasten. 
  2. overgankelijk een belasting verminderen
    • De nieuwe rondweg ontlastte het verkeer in de stad maar voor een korte tijd; daarna waren de opstoppingen weer een dagelijks verschijnsel 
  3. wederkerend zich ~ zich ontdoen van zijn uitwerpselen
    • Na inneming van laxatieven wist hij zich eindelijk te ontlasten. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.