toom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toom
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘teugel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord toom tomen
verkleinwoord toompje toompjes

Zelfstandig naamwoord

toom m

  1. riem of koord waarmee men een rij- of trekdier bestuurt, zowel gebruikt voor elke riem afzonderlijk, als voor beide samen. Een synoniem voor toom is teugel
  2. (van een vlieger) touw of touwtjes waarmee de helling van een op te laten vlieger bepaald wordt, waarvan het stijgen afhangt
  3. vlucht, koppel (m.n. van wilde eenden)
  4. bijeenbehorende troep hoenders of eenden
  5. broedsel
  6. worp, nest
  7. (gewestelijk) visrijke plek, plek waarheen de vis trekt
  8. stel riemen om de borst van een kind, met een leidsel, waaraan men een klein kind laat lopen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
tomen

toom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tomen
    • Ik toom. 
  2. gebiedende wijs van tomen
    • Toom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tomen
    • Toom je? 

Verwijzingen