besturen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van sturen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besturen
bestuurde
bestuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

besturen

  1. (overgankelijk) zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
    Hij bestuurt de lift via een afstandsbediening.
  2. (overgankelijk) het vervullen van regeringstaken over een gebied of organisatie
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

besturen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bestuur