tering

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tering -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tering v

  1. consumptieve uitgaven
    • Hij was gedongen de tering naar de nering te zetten. 
  2. (geschiedenis), (medisch) een verzamelnaam voor ziektes zoals tuberculose en kanker die een dodelijke afloop hadden
    • Men leefde in angst voor de tering. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie