teringlijder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·ring·lij·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teringlijder teringlijders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

teringlijder m

  1. lijder aan tering (tuberculose)
  2. (scheldwoord) ellendeling
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.