storten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
storten
stort
storting


Woordafbreking
  • stor·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
storten
stortte
gestort
zwak -t volledig

Werkwoord

storten

  1. overgankelijk van enige hoogte ergens in laten vallen
    Er werd beton gestort.
  2. overgankelijk geld in een rekening inbrengen
    Hij had gelukkig genoeg gestort om te voorkomen dat hij rood kwam te staan
  3. wederkerend zich ~ op zich volledig aan een bepaalde bezigheid gaan wijden
    Hij had zich voldoende op zijn wiskunde gestort en slaagde met een goed cijfer voor zijn tentamen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

storten

  1. uit stort, dun plaatstaal vervaardigd

Zelfstandig naamwoord

storten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stort

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl