humeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hu·meur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gemoedsgesteldheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1658 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord humeur humeuren
verkleinwoord humeurtje humeurtjes

Zelfstandig naamwoord

humeur o

  1. mentale of emotionele toestand
    • Hij had een slecht humeur omdat hij slecht geslapen had. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  humeur     l'humeur     humeurs     les humeurs  

Zelfstandig naamwoord

humeur v

  1. humeur
    • Humeur noirezwartgalligheid. 
  2. lichaamsvocht