stamme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • stam·me
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Nederduits.
Naar frequentie 8695

Bijvoeglijk naamwoord

stamme, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van stam

stamme, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van stam
vervoeging
onbepaalde wijs stamme
tegenwoordige tijd stammer
verleden tijd stammet
stamma
voltooid
deelwoord
stammet
stamma
onvoltooid
deelwoord
stammende
lijdende vorm stammes
gebiedende wijs stam
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking [A]+[B]

Werkwoord

[A] stamme

  1. afkomstig zijn van, stammen
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

[B] stamme

  1. haperen, stamelen
  2. (medisch) stotteren
Synoniemen
Hyperoniemen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   stamme     stammen     stammer     stammene  
genitief   stammes     stammens     stammers     stammenes  

Zelfstandig naamwoord

stamme

  1. (plantkunde) boomstam, stam
  2. (figuurlijk) vaste kern (bijv. fast personeel)
  3. (dierkunde), (plantkunde) bestand, voorraad (van dieren of planten)
  4. (sociologie) stam, volksstam
  5. (grammatica) stam, stamwoord
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [2]: stammen i laget
vaste speler
  • [4]: stammens hyl (krigsrop)
strijdkreet, strijdleus (krijgsgehuil)


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • stam·me
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Nederduits.

Bijvoeglijk naamwoord

stamme, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van stam

stamme, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van stam
vervoeging
onbepaalde wijs stamme
stamma
tegenwoordige tijd stammar
verleden tijd stamma
voltooid
deelwoord
stamma
onvoltooid
deelwoord
stammande
lijdende vorm stammast
gebiedende wijs stam
stamma
stamme
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking [A]+[B]

Werkwoord

[A] stamme

  1. afkomstig zijn van, stammen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

[B] stamme

  1. haperen, stamelen
  2. (medisch) stotteren
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyperoniemen
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   stamme     stammen     stammar     stammane  
v enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   stamme     stamma     stammer     stammene  

Zelfstandig naamwoord

stamme

  1. (plantkunde) boomstam, stam
  2. (figuurlijk) vaste kern (bijv. fast personeel)
  3. (dierkunde), (plantkunde) bestand, voorraad (van dieren of planten)
  4. (sociologie) stam, volksstam
  5. (grammatica) stam, stamwoord
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: ei tjukk stamme
een dikke stam
  • [2]: stamma i laget
vaste speler