spuit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spuit
enkelvoud meervoud
naamwoord spuit spuiten
verkleinwoord spuitje spuitjes

Zelfstandig naamwoord

spuit v/m

  1. nauwe buis bedoeld om onder druk een vloeistof eruit naar buiten te laten schieten.
    • Uit die spuit kwam alleen maar modder. 
  2. voornamelijk verkleinwoord: een injectie.
    • Ze hebben de hond een spuitje gegeven. 
  3. injectiespuit
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spuiten

spuit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spuiten
  2. gebiedende wijs van spuiten

Werkwoord

vervoeging van
spuien

spuit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spuien
    • Jij spuit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spuien
    • Hij spuit. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van spuien
    • Spuit! 
Anagrammen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Meer informatie