spuiter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] fontein de spuiter
Uitspraak
Woordafbreking
  • spui·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spuiter spuiters
verkleinwoord spuitertje spuitertjes

Zelfstandig naamwoord

spuiter m [1]

  1. iemand die spuit (brandweerman, gifspuiter in de landbouw, verfspuiter, drugsgebruiker) door de laatste betekenis heeft een een wat negatieve betekenis gekregen
    • De foto's van alles wat zich hier nu voltrok. Van iedereen die kreunde, hijgde, drilde, lilde, schudde en schreeuwde. Van al die zweters, soppers, spuiters om ons heen. Het enige dat dit tafereel onderscheidde van de foto's was het gebrek aan gebalkte ogen. [2] 
    • De Polen werken bij tal van bedrijven in Twente, als lasser, montagemedewerker, staalbouwmonteur of spuiter.[3] 
  2. iets dat spuit zoals een fontein
    • Het bestaande beeldhouwwerk met de vissen en de schelpen rond de spuiters werd behouden. Het waterbassin kreeg een nieuwe waterafdichting en ook de ondergrondse kanalisaties, de sproeikoppen en de volledige technische installatie werden vernieuwd. Na de werken kreeg de fontein nog een behandeling tegen graffiti en de lichten werden vervangen door ledlampen.[4] 
  3. oliebron waar de olie onder hoge druk naar boven komt via het boorgat
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Verdonschot, Leon Alles van elkaar [2015] ISBN 978-94-0040251-5 pagina 131
  3. Tubantia Bert Hellegers 31-JULI-2017
  4. de Standaard 09/05/2017 door edm
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be