slik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slik
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘modder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1212 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord slik slikken
verkleinwoord slikje slikjes

Zelfstandig naamwoord

[A] slik m

  1. de handeling van het slikken
enkelvoud meervoud
naamwoord slik slikken
verkleinwoord slikje slikjes

Zelfstandig naamwoord

[B] slik o

  1. zachte klei of buitendijks gebied bestaande daaruit
    • Hij zat helemaal onder het slik. 
  2. natte aangeslibde grond
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
slikken

slik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slikken
    • Ik slik. 
  2. gebiedende wijs van slikken
    • Slik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slikken
    • Slik je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Gronings

Woordafbreking
  • slik

Zelfstandig naamwoord

slik

  1. snoep


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • slik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord slíkr.

Aanwijzend voornaamwoord

slik m/v - slikt m - slike mv

  1. zo'n, zulk
    «Det var slik en vakker dag.»
    Het was zo'n mooie dag.

Bijwoord

slik

  1. zo
    «Er det slik å forstå?»
    Is dit zo te begrijpen?
Uitdrukkingen en gezegden
  • slik at
zodat


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • slik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord slíkr.

Aanwijzend voornaamwoord

slik m/v - slikt m - slike mv

  1. zo'n, zulk
    «Det var slik ein fin dag.»
    Het was zo'n mooie dag.

Bijwoord

slik

  1. zo
    «Er det slik å forstå?»
    Is dit zo te begrijpen?
Uitdrukkingen en gezegden
  • slik at
zodat