meeslepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·sle·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meeslepen
sleepte mee
meegesleept
zwak -t volledig

Werkwoord

meeslepen

  1. iets slepend met zich meenemen
  2. ergens in meegetrokken worden
    • We lieten ons meeslepen door de gebeurtenissen in de film. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.