showtime

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • show·time
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord showtime
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

showtime m

  1. Amerikaanse betaaltelevisiezender
    •  

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be