schoonhouden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoonhouden
hield schoon
schoongehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

schoonhouden

  1. zorgen dat iets niet vies wordt en zorgen dat iets wat vies is weer schoon wordt
    • Zij hielden hun nieuwe auto heel 'schoon. 
    • Het schoonmaak bederijf hield het ziekenhuis schoon. 

Gangbaarheid