Naar inhoud springen

ofschoon

Uit WikiWoordenboek
  • of·schoon

ofschoon

  1. (onderschikkend) drukt een reden uit ondanks dewelke iets beweerd wordt
    • Ofschoon een bescheiden budgetoverschrijding van de investering in de nieuwbouw onvermijdelijk is geweest, zijn de extra investeringen binnen de kaders van de meerjarenbegroting gebleven.[3] 
     ' Ik wist dat mijn stem begon te beven als ik over haar sprak, ofschoon ze al drie jaar dood was en het hinderde me.[4]
     Allebei konden ze goed leren, maar ze moesten met vijftien jaar toch naar een beroepsopleiding, ofschoon ze gemakkelijk naar het gymnasium hadden gekund en later wellicht naar de universiteit, wat de staat ook had gefinancierd.[5]
94 %van de Nederlanders;
91 %van de Vlamingen.[6]