Naar inhoud springen

schoonheid

Uit WikiWoordenboek
  • schoon·heid
1 enkelvoud meervoud
naamwoord schoonheid -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord schoonheid schoonheden
verkleinwoord schoonheidje schoonheidjes

deschoonheidv [1]

  1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
     Ik begon de schoonheid om mij heen weer te zien en de prachtige uitzichten te waarderen en bijna als vanouds sprong ik in elk meertje dat ik tegenkwam.[2]
     Hier zie ik een godvruchtig oog voor de schoonheid van basisbenodigdheden.[3]
     Je kunt geloven dat er sprake was van schoonheid en moed, ervan overtuigd zijn dat je ooit zo was, maar je kunt het nooit zeker weten.[3]
  2. iemand (in het bijzonder een vrouw) die schoonheid bezit
     Deze vos is volgzaam maar sterk, een schoonheid.[3]
     Saskia Mulder, een struise blonde die door onze wat oudere medewerkers ongetwijfeld wordt gezien als een volkse schoonheid, werkte al.[4]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2 3
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be