shovel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Een Weidemann 1240 in actie
Uitspraak
Woordafbreking
  • sho·vel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘laadschop op rupsbanden’ voor het eerst aangetroffen in 1989 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord shovel shovels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

shovel m

  1. graafmachine op banden met een beweegbare laadschop die zowel kan graven als grond verplaatsen
    • In de loodsen lopen nu honderden vreemden rond te snuffelen of er iets van hun gading bij is. Veilinghuis Troostwijk, de grootste in zijn soort in Europa, houdt een open kijkdag. Er worden 493 kavels aangeboden. Van een vijf jaar oude shovel die minimaal 25.000 euro moet opbrengen tot cementmolens van 10 euro.[2] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
28 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Renée Postma NRC 2 november 2012


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse woord scofl, verwant met het Nederlandse woord schoffel en het Duitse woord Schaufel.
enkelvoud meervoud
shovel shovels

Zelfstandig naamwoord

shovel

  1. (gereedschap) schep, schop, spade
  2. excavateur, lepelexcavateur, lepelgraafmachine
Afgeleide begrippen
vervoeging
onbepaalde wijs to
he/she/it s
verleden tijd [[shoveled (VS)
shovelled (VK)]]
voltooid
deelwoord
[[shoveled (VS)
shovelled (VK)]]
onvoltooid
deelwoord
[[shoveling (VS)
shovelling (VK)]]
gebiedende wijs shovel

Werkwoord

shovel

  1. overgankelijk scheppen, opscheppen
  2. onovergankelijk scheppen
Afgeleide begrippen
  • [1]: shovel in
  • [1]: shovel out
  • [1]: shovel up