onrustig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·rus·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onrustig onrustiger onrustigst
verbogen onrustige onrustigere onrustigste
partitief onrustigs onrustigers -

Bijvoeglijk naamwoord

onrustig

  1. niet rustig zijnde
    • Nee, dat vind ik een té onrustige vogel. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.