rusteloos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rus·te·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van rust met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rusteloos rustelozer rusteloost
verbogen rusteloze rustelozere rustelooste
partitief rusteloos rustelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

rusteloos

  1. zonder rust
    • De rusteloze patiënt kreeg een rustgevend medicijn. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.