rustkuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rust·kuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rustkuur rustkuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rustkuur v/m [1]

  1. (medisch) behandeling met rust
    • 'Geen andere problemen?' vroeg hij. Hoewel men daar normaal de huisarts niet mee lastig valt, vertelde ik hem dat een onhandige kluns thuis mijn smartphone in het vaatwaswater had laten vallen en dat het dure spul geen enkel teken van leven meer gaf, in beeld noch spraak. Ik vermoed dat de meeste dokters je na zo'n mededeling vriendelijk de rekening presenteren en je vervolgens uitgeleide doen, maar tot mijn verbazing leunde mijn huisarts peinzend achterover in zijn bureaustoel en zei: 'Om te beginnen: probeer hem niet met de haardroger droog te blazen. Haal er de batterij, de sim-kaart en de geheugenkaart uit en leg hem gewoon enkele weken aan de kant. Niet enkele dagen, maar een week of twee. Je moet geduld hebben. Ik weet niet of hij volledig zal herstellen, maar de kans is niet gering dat belangrijke functies weer tot leven komen.' Het leek waarachtig alsof hij over een patiënt sprak. Naar mijn oordeel had ik die patiënt dood of zeker in terminale fase uit het hete zeepwater opgevist, maar, de eed van Hippocrates indachtig, stelde de arts niettemin als laatste noodgreep een helende rustkuur voor. [2] 
    • Hoeveel er ook over Freud te doen is geweest, over echte waanzin had hij weinig te zeggen. De psychoanalyse was bedoeld voor neurotici, mensen die in staat waren tot zelfreflectie op de sofa, en niet voor katatone schizofrenen of zware psychotici. De categorie mensen met zware psychische stoornissen die aanvankelijk werd vastgeketend, verbleef in de 19de en 20ste eeuw onverminderd in inrichtingen. Ze kregen te maken met koudwaterbaden, spanlakens, dwangbuizen, rustkuren, lobotomie, kunstmatig opgewekte epileptische insulten, kalmeringsmiddelen, insulinekuren, elektroshocks en pillen. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 03 OKTOBER 2009 LAURENS DE KEYZER
  3. NRC Beatrijs Ritsema 31 mei 2013
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be