uitrusten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·rus·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrusten
rustte uit
uitgerust
zwak -t volledig

Werkwoord

uitrusten

  1. overgankelijk (militair), (scheepvaart) één of meer personen, vaar- of voertuigen e.d. voorzien van de benodigdheden voor een taak, expeditie of reis
    • De vloot werd uitgerust met een nieuw radarsysteem. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitrusten
rustte uit
uitgerust
zwak -t volledig

Werkwoord

uitrusten

  1. inergatiefzich ontspannen na vermoeiende of langdurige bezigheden
    • We zijn bijna bij het bivak waar we kunnen uitrusten. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.