Naar inhoud springen

route

Uit WikiWoordenboek
  • rou·te
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1643 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord route routen
routes
verkleinwoord routetje routetjes

deroutev/m

  1. weg die men aflegt, weg die men van plan is af te leggen
    • Een gps beschrijft de route die je moet volgen. 
     De avond van tevoren stippelde een van de vaders een route uit, die vaak niet over een vast bergpad, maar dwars over de bergen naar onze volgende bestemming, liep.[2]
     Huldiging: De spelersbus keerde gisteravond niet terug naar de Overijsselse stad. Morgen kunnen supporters de spelers toejuichen bij de huldiging. Het team maakt dan een rit langs de IJssel in een open bus. Publiek kan langs de route staan.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. "route" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 22 april 2025 Weblink bron “Feest barst los in Deventer na winst Go Ahead Eagles: 'We gaan Europa in!'” (22 april 2025), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  route     la route     routes     les routes  

route v

  1. route
  2. weg
    «Être sur la bonne route
    Op de goede weg zijn.
vervoeging van
router

route

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van router
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van router
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van router