route

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rou·te
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1643 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord route routen
routes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

route m

  1. weg die men aflegt
    • Een gps beschrijft de route die je moet volgen. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen