traject

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tra·ject
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘wegverbinding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1746 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord traject trajecten
verkleinwoord trajectje trajectjes

Zelfstandig naamwoord

traject o

  1. (wiskunde) de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen