protocol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·to·col
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘akte(n)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord protocol protocollen
protocols
verkleinwoord protocolletje protocolletjes

Zelfstandig naamwoord

protocol o

  1. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
  2. (informatica) geheel van regels en afspraken voor het uitwisselen van gegevens tussen verschillende computers in netwerken
  3. geheel van regels en afspraken voor het uitvoeren van een procedure of meting
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen