nationaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ti·o·naal
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nationaal nationaler nationaalst
verbogen nationale nationalere nationaalste
partitief nationaals nationalers -

Bijvoeglijk naamwoord

nationaal

  1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
  2. op landelijk niveau van belang zijnd
     Na het bereiken van Donahue Pass op 1.486 kilometer van de start in Campo liep ik Nationaal Park Yosemite in.[4]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen