nationaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ti·o·naal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘volks-, staats-’ voor het eerst aangetroffen in 1619 [1]
  • afgeleid van natie met het achtervoegsel -aal [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nationaal nationaler nationaalst
verbogen nationale nationalere nationaalste
partitief nationaals nationalers -

Bijvoeglijk naamwoord

nationaal

  1. op een natie betrekking hebbend
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen