principe

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prin·ci·pe
enkelvoud meervoud
naamwoord principe principes
verkleinwoord principetje principetjes

Zelfstandig naamwoord

principe o

  1. een grondoorzaak, werkend beginsel
    • Dat is het principe. 
  2. een grondbeginsel, grondstelling
    • In principe zou dat moeten kunnen... 
  3. een stelregel
    • Uit principe doe ik dat niet. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie