principaal
Uiterlijk
- Geluid: principaal (hulp, bestand)
- IPA: / ˌprɪnsiˈpal / (3 lettergrepen)
- prin·ci·paal
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voornaam(st)’ voor het eerst aangetroffen in 1277 [1]
- afgeleid van principe met het achtervoegsel -aal [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | principaal | principalen |
| verkleinwoord | - | - |
- volmachtgever
- (België) chef, superieur, schoolhoofd (directeur)
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | principaal | principaler | principaalst |
| verbogen | principale | principalere | principaalste |
| partitief | principaals | principalers | - |
principaal [4]
- Het woord principaal staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "principaal" herkend door:
| 82 % | van de Nederlanders; |
| 74 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "principaal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ principaal op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -aal in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 82 %
- Prevalentie Vlaanderen 74 %