chasseur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chas·seur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord chasseur chasseurs
verkleinwoord chasseurtje chasseurtjes

Zelfstandig naamwoord

chasseur m [2]

  1. (beroep) beljongen in een hotel,
Synoniemen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   chasseur     le chasseur     voleurs     les chasseurs  
vrouwelijk   chasseuse     la chasseuse     chasseuses     les chasseuses  

Zelfstandig naamwoord

chasseur m

  1. jager