paus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paus
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse papa (bisschop, paus), dat op zijn beurt komt van het Griekse papas (vader). [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord paus pausen
verkleinwoord pausje pausjes

Zelfstandig naamwoord

paus m

  1. (religie) hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk en bisschop van Rome
Spreekwoorden
  • roomser dan de paus zijn.
  • overdreven goed zijn of goed over willen komen.
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Hij is te Rome geweest en heeft de Paus niet gezien
  • Hoe dichter bij de Paus ( of bij Rome), hoe slechter christen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • pa·us
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

paus

  1. (zoogdieren) walvis; naam voor soorten zeezoogdieren uit de orde van de walvisachtigen (Cetacea op Wikispecies)
  2. (religie) paus
Synoniemen