Naar inhoud springen

paus

Uit WikiWoordenboek
  • paus
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoofd van de r.-k. kerk’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • Van het Latijnse papa (bisschop, paus), dat op zijn beurt komt van het Griekse papas (vader). [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord paus pausen
verkleinwoord pausje pausjes

depausm

  1. (beroep) (religie) hoofd van de rooms katholieke kerk en bisschop van Rome
     Naast kerk en paus kwamen de afzonderlijke naties voorzichtig op, in het bijzonder Engeland, Frankrijk en Spanje, waar vorsten de macht naar zich toe trokken en het bestuur centraliseerden.[4]
     Ik had er enthousiaste verhalen over gehoord en had een kamer geboekt in hotel De Gouden Leeuw, gevestigd in een pand dat eind vijftiende eeuw na een stadsbrand was herbouwd en waar pastoor Adriaan Floriszoon Boeyens, de latere en enige Nederlandse paus Adriaan vi, moet hebben geresideerd.[5]
     De Amerikaanse vicepresident Vance zegt te denken aan de miljoenen christenen over de hele wereld die van de paus hielden. De Israëlische president Herzog roemt Franciscus als een "man van diep geloof en grenzeloze compassie".[6]
  2. (beroep) (religie) hoofd van de Koptisch-Orthodoxe Kerk en bisschop van Alexandrië
  • hij is te Rome geweest en heeft de paus niet gezien
hij heeft het belangrijkste gemist
  • hoe dichter bij de paus (of bij Rome), hoe slechter christen
  • roomser dan de paus zijn
overdreven nauwgezet of strikt zijn
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  • pa·us

paus

  1. (walvisachtigen) walvis; naam voor soorten zeezoogdieren uit de orde van de walvisachtigen (Cetacea op Wikispecies)
  2. (religie) paus