pauselijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

pauselijk wapen van Benedictus XVI
Uitspraak
Woordafbreking
  • pau·se·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van paus met het achtervoegsel -lijk en met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen pauselijk pauselijker pauselijkst
verbogen pauselijke pauselijkere pauselijkste
partitief pauselijks pauselijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

pauselijk [1]

  1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
    • Het gruwelijke daarbij is dat vooral onschuldigen werden gedood. Bij de massale uitroeiing van de Albigenzen, op pauselijk bevel, werden zelfs ketters en rechtgelovigen door elkaar gedood: ‘God zal de zijnen wel herkennen’, klonk het. [2] 
    • Harry Elfrink heeft zondagmorgen in Sint Georgiusbasiliek in Almelo uit handen van vicaris Alphons Woolderink een pauselijke onderscheiding ontvangen. Het gaat om het zogenoemde Bene Merenti, een medaille met het pauselijk wapen voor de goede verdiensten van Elferink voor het parochiebestuur. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard MAANDAG 14 AUGUSTUS 2017
  3. Tubantia Jelle Boesveld 02- juli - 2017