zittenblijven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·ten·blij·ven
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zittenblijven -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zittenblijven o

  1. het overdoen van een leerjaar of cursus bij onvoldoende vordering
    • Het zittenblijven is op deze school de laatste jaren zienderogen toegenomen. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie