omleggen/vervoeging
Uiterlijk
ómleggen
[bewerken]om iets heen leggen
[bewerken]andersom, omgekeerd leggen
[bewerken]een ander verloop geven
[bewerken](informeel) vermoorden
[bewerken]| vervoeging van de bedrijvende vorm van omleggen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | omleggen | om te leggen | ||||||||
| toekomend | zullen omleggen om zullen leggen |
te zullen omleggen om te zullen leggen | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben omgelegd | te hebben omgelegd | ||||||||
| toekomend | omgelegd zullen hebben | omgelegd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| omleggend | omgelegd | ev. leg om | mv. verouderd legt om | legge om (bijzin) omlegge | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | leg om | legt om | legt om | legt om | legt om | leggen om | leggen om | leggen om | |||
| verleden (o.v.t.) | legde om | legde om | legde om | legde om | legde om | legden om | legden om | legden om | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal omleggen | zult/zal omleggen | zult/zal omleggen | zult omleggen | zal omleggen | zullen omleggen | zullen omleggen | zullen omleggen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou omleggen | zou omleggen | zou(dt) omleggen | zoudt omleggen | zou omleggen | zouden omleggen | zouden omleggen | zouden omleggen | |||
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | omleg | omlegt | omlegt | omlegt | omlegt | omleggen | omleggen | omleggen | |||
| verleden (o.v.t.) | omlegde | omlegde | omlegde | omlegde | omlegde | omlegden | omlegden | omlegden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal omleggen om zal leggen |
zult/zal omleggen om zult/zal leggen | zult/zal omleggen om zult/zal leggen | zult omleggen om zult leggen | zal omleggen om zal leggen | zullen omleggen om zullen leggen | zullen omleggen om zullen leggen | zullen omleggen om zullen leggen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou omleggen om zou leggen |
zou omleggen om zou leggen | zou(dt) omleggen om zou(dt) leggen | zoudt omleggen om zoudt leggen | zou omleggen om zou leggen | zouden omleggen om zouden leggen | zouden omleggen om zouden leggen | zouden omleggen om zouden leggen | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb omgelegd | hebt omgelegd | hebt/heeft omgelegd | hebt omgelegd | heeft omgelegd | hebben omgelegd | hebben omgelegd | hebben omgelegd | |||
| verleden (v.v.t.) | had omgelegd | had omgelegd | had omgelegd | hadt omgelegd | had omgelegd | hadden omgelegd | hadden omgelegd | hadden omgelegd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal omgelegd hebben | zal/zult omgelegd hebben | zult/zal omgelegd hebben | zult omgelegd hebben | zal omgelegd hebben | zullen omgelegd hebben | zullen omgelegd hebben | zullen omgelegd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou omgelegd hebben | zou omgelegd hebben | zou/zoudt omgelegd hebben | zoudt omgelegd hebben | zou omgelegd hebben | zouden omgelegd hebben | zouden omgelegd hebben | zouden omgelegd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm omgelegd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt omgelegd | er is omgelegd | |||||||||
| verleden | er werd omgelegd | er was omgelegd | |||||||||
| toekomend | er zal omgelegd worden | er zal omgelegd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou omgelegd worden | er zou omgelegd zijn | |||||||||
| lijdende vorm omgelegd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | omgelegd worden | omgelegd te worden | ||||||||
| toekomend | omgelegd zullen worden | omgelegd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | omgelegd zijn | omgelegd te zijn | ||||||||
| toekomend | omgelegd zullen zijn | omgelegd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word omgelegd | wordt omgelegd | wordt omgelegd | wordt omgelegd | wordt omgelegd | worden omgelegd | worden omgelegd | worden omgelegd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd omgelegd | werd omgelegd | werd omgelegd | werdt omgelegd | werd omgelegd | werden omgelegd | werden omgelegd | werden omgelegd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal omgelegd worden | zult omgelegd worden | zult omgelegd worden | zult omgelegd worden | zal omgelegd worden | zullen omgelegd worden | zullen omgelegd worden | zullen omgelegd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou omgelegd worden | zou omgelegd worden | zou/zoudt omgelegd worden | zoudt omgelegd worden | zou omgelegd worden | zouden omgelegd worden | zouden omgelegd worden | zouden omgelegd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben omgelegd | bent omgelegd | bent/is omgelegd | zijt omgelegd | is omgelegd | zijn omgelegd | zijn omgelegd | zijn omgelegd | |||
| verleden (v.v.t.) | was omgelegd | was omgelegd | was omgelegd | waart omgelegd | was omgelegd | waren omgelegd | waren omgelegd | waren omgelegd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal omgelegd zijn | zult omgelegd zijn | zult omgelegd zijn | zult omgelegd zijn | zal omgelegd zijn | zullen omgelegd zijn | zullen omgelegd zijn | zullen omgelegd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou omgelegd zijn | zou omgelegd zijn | zou/zoudt omgelegd zijn | zoudt omgelegd zijn | zou omgelegd zijn | zouden omgelegd zijn | zouden omgelegd zijn | zouden omgelegd zijn | |||
omléggen
[bewerken]met iets rondom beleggen
[bewerken]| vervoeging van de bedrijvende vorm van omleggen | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | omleggen | te omleggen | ||||||||
| toekomend | zullen omleggen | te zullen omleggen | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben omlegd | te hebben omlegd | ||||||||
| toekomend | omlegd zullen hebben | omlegd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| omleggend | omlegd | ev. omleg | mv. verouderd omlegt | omlegge | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | omleg | omlegt | omlegt | omlegt | omlegt | omleggen | omleggen | omleggen | |||
| verleden (o.v.t.) | omlegde | omlegde | omlegde | omlegde | omlegde | omlegden | omlegden | omlegden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal omleggen | zult/zal omleggen | zult/zal omleggen | zult omleggen | zal omleggen | zullen omleggen | zullen omleggen | zullen omleggen | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou omleggen | zou omleggen | zou(dt) omleggen | zoudt omleggen | zou omleggen | zouden omleggen | zouden omleggen | zouden omleggen | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb omlegd | hebt omlegd | hebt/heeft omlegd | hebt omlegd | heeft omlegd | hebben omlegd | hebben omlegd | hebben omlegd | |||
| verleden (v.v.t.) | had omlegd | had omlegd | had omlegd | hadt omlegd | had omlegd | hadden omlegd | hadden omlegd | hadden omlegd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal omlegd hebben | zal/zult omlegd hebben | zult/zal omlegd hebben | zult omlegd hebben | zal omlegd hebben | zullen omlegd hebben | zullen omlegd hebben | zullen omlegd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou omlegd hebben | zou omlegd hebben | zou/zoudt omlegd hebben | zoudt omlegd hebben | zou omlegd hebben | zouden omlegd hebben | zouden omlegd hebben | zouden omlegd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm omlegd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt omlegd | er is omlegd | |||||||||
| verleden | er werd omlegd | er was omlegd | |||||||||
| toekomend | er zal omlegd worden | er zal omlegd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou omlegd worden | er zou omlegd zijn | |||||||||
| lijdende vorm omlegd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | omlegd worden | omlegd te worden | ||||||||
| toekomend | omlegd zullen worden | omlegd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | omlegd zijn | omlegd te zijn | ||||||||
| toekomend | omlegd zullen zijn | omlegd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word omlegd | wordt omlegd | wordt omlegd | wordt omlegd | wordt omlegd | worden omlegd | worden omlegd | worden omlegd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd omlegd | werd omlegd | werd omlegd | werdt omlegd | werd omlegd | werden omlegd | werden omlegd | werden omlegd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal omlegd worden | zult omlegd worden | zult omlegd worden | zult omlegd worden | zal omlegd worden | zullen omlegd worden | zullen omlegd worden | zullen omlegd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou omlegd worden | zou omlegd worden | zou/zoudt omlegd worden | zoudt omlegd worden | zou omlegd worden | zouden omlegd worden | zouden omlegd worden | zouden omlegd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben omlegd | bent omlegd | bent/is omlegd | zijt omlegd | is omlegd | zijn omlegd | zijn omlegd | zijn omlegd | |||
| verleden (v.v.t.) | was omlegd | was omlegd | was omlegd | waart omlegd | was omlegd | waren omlegd | waren omlegd | waren omlegd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal omlegd zijn | zult omlegd zijn | zult omlegd zijn | zult omlegd zijn | zal omlegd zijn | zullen omlegd zijn | zullen omlegd zijn | zullen omlegd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou omlegd zijn | zou omlegd zijn | zou/zoudt omlegd zijn | zoudt omlegd zijn | zou omlegd zijn | zouden omlegd zijn | zouden omlegd zijn | zouden omlegd zijn | |||