Naar inhoud springen

o.v.t.t.

Uit WikiWoordenboek
toekomend
onvoltooid tegenwoordig o.t.t.o.t.t.t.
verleden o.v.t.o.v.t.t.
voltooid tegenwoordig v.t.t.v.t.t.t.
verleden v.v.t.v.v.t.t.
enkelvoud meervoud
naamwoord o.v.t.t. o.v.t.t.'s
verkleinwoord - -

o.v.t.t.

  1. (grammatica) vorm van een werkwoord die uitdrukt dat iets vanuit een eerder tijdstip gezien pas later zou gebeuren, samengesteld door een persoonsvorm van "zouden" met de onbepaalde wijs van het werkwoord
    Aangezien het uitgangspunt om de tijdsverhoudingen te bepalen hier het verleden is, spreekt men over een "verleden toekomende" tijd.
    • In "Ik verheugde me vorig jaar op de zomervakantie, omdat ik naar Italië zou reizen" is "zou reizen" de o.v.t.t. van "reizen".