moedwillig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moed·wil·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van moed en de stam van willen met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen moedwillig moedwilliger moedwilligst
verbogen moedwillige moedwilligere moedwilligste
partitief moedwilligs moedwilligers -

Bijvoeglijk naamwoord

moedwillig

  1. expres, opzettelijk, met boze opzet, weloverwogen
    • De moedwillige vernielingen door de hooligans maakten de mensen zeer boos. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen